GOUDBUIKJE
Amandava sublava



verspreiding: Westelijk Afrika.

habitat: Afrikaanse savanne en met struiken begroeid grasland.
grootte: 7 cm

Van de drie leden van het geslacht amadava waar ook de gewone en de groene tijgervink toe behoren komt deze soort alleen voor in westelijk Afrika. De vogels zijn kleurrijk en het geslacht is gemakkelijk te bepalen.

VOEDING:
Ofschoon deze vogels allerlei zaden eten, hangen de meeste soorten toch voor hun basisdieet af van de kleinere soorten millet. De zaden kan men geven in de vorm van een mengsel, maar ook los. In het wild worden graag nog groene zaden gegeten. Deze zijn zachter dan de zaden in een mengsel. Bij pas geïmporteerde vogels is het dan ook raadzaam de zaden met een deegroller te verbrijzelen. De vogels eten dan deze stukjes in hun geheel op zonder te hoeven ontdoppen. Zaadvormende soorten gras worden afgesneden als de aren of pluimen nog groen zijn. ook geweekte trossen millet worden graag gegeten .
Veel soorten levend voer zijn voor de kleinere soorten vaak te groot. Pas uitgekomen krekeltjes en juist vervelde meelwormen kunnen echter wel worden gevoerd. Veel kwekers vertrouwen echter meer op enchytraeën. Deze kleine witte wormpjes worden vaak verkocht aan aquariumhouders met tropische vissen. In een leeg, schoongemaakt margarinekuipje kan men deze wormpjes heel gemakkelijk zelf kweken,
Verdeel de wormpjes in groepjes en doe deze onderin het kuipje onder een stuk brood dat in melk is gedoopt. Overdek dan het brood met vochtig veenmos. Als de temperatuur op ongeveer 21 graden C wordt ,gehandhaafd zal het ongeveer een maand duren tot de wormpjes volwassen zijn. Ze kunnen dan worden 'geoogst' en aan de vogels worden gevoerd. Door met regelmatige tussentijden zo' n kweek te beginnen is er een constante toevoer van deze wormpjes. In de broedtijd zijn er natuurlijk grote hoeveelheden van nodig.
ALGEMENE VERZORGING:
Verschillende soorten van deze familie zijn wel in kooien gehouden en met succes gefokt. De kans dat de jongen met gunstig resultaat worden grootgebracht zal echter groter zijn als de vogels gedurende de warmere maanden in een beplante volière zijn ondergebracht. Daar kunnen ze zelf ook naar levend voer zoeken. Gedurende de wintermaanden is een verwarmd verblijf nodig waarin ook voor aanvulling van de hoeveelheid licht kan worden gezorgd. Onder gunstige omstandigheden gehouden kunnen deze kleine vogels verrassend lang leven. Goudbuikjes hebben weleens meer dan 20 jaar gehaald.
DE KWEEK:
De meeste paartjes gebruiken nestmandjes maar ook wel eens nestkastjes. In enkele zeldzamere gevallen wordt een geheel eigen nest gebouwd in een geschikte struik in de volière. De nesten zijn relatief nogal omvangrijk. Veel soorten bouwen een nest met daarboven een aparte nestkamer. Deze dient blijkbaar om eventuele indringers af te leiden, want deze kamer blijft gedurende de broedtijd leeg. Een man maakt vaak gebruik van nestmateriaal om een eventuele partner te lokken. Is het nest eenmaal af, dan wordt er een legsel geproduceerd van ongeveer vijf eitjes. Beide ouders broeden ze uit in ongeveer twaalf dagen. Jongen van drie weken oud verlaten het nest.